Gelukkig zijn hoeft niet altijd

In 2016 zat ik met een studiegenoot op een stoeprand voor het universiteitsgebouw een paar zonnestralen op te vangen voor we weer naar binnen moesten. We zaten allebei in een moeilijke tijd. Zij rouwde om het verlies van haar vader, ik was vaak somber of angstig en wist niet waarom. We hadden het over quarter life crises en de druk die onze generatie voelt om alles uit het leven te halen. Wat ik het meest heb onthouden van ons gesprek is dat zij zei: “Geke, ik geloof dat ik niet meer ga streven naar geluk. Ik wil tevreden zijn. Dat is genoeg.”

Dit klinkt deprimerend misschien. Alsof je genoegen neemt met een middelmatig leventje. De vraag is alleen: is “genoegen nemen” iets negatiefs?

Is genoegen nemen met wat je hebt minder waard dan streven naar geluk?

Onze maatschappij barst uit z’n voegen van zinspreuken als “leef alsof het je laatste dag is” en “haal alles uit het leven”. Zo’n levenswijze kan een enorme druk met zich meebrengen. Alsof je nooit genoeg gedaan hebt. Jezelf doelen stellen en daarnaar streven kan voldoening geven en in die zin voor een gelukkiger leven zorgen, ja. Maar wanneer het bereiken van je doelen een voorwaarde wordt voor je gevoel van geluk, zal dit een tegenovergesteld effect hebben.

Dan komt een geluk altijd nét buiten je bereik te liggen.

Wanneer je weigert te accepteren dat sommige onderdelen van je leven niet ‘gelukt’ zijn, leidt dat vaak tot somberheid en een gevoel van ongeluk. Dirk de Wachter, een Belgische psychiater, zegt daarom al jaren: wij westerlingen moeten eens wat beter worden in ongelukkig zijn. Hij zegt: maak van “gelukkig zijn” niet je levensdoel. Dat is vermoeiend en heeft geen zin. Lijden hoort bij het leven.

Als je kunt accepteren dat je je niet honderd procent van de tijd gelukkig voelt, kun je de kleine genoegens van het leven meer gaan waarderen (#itsthesmallthings). Hier ligt de sleutel naar een zinvol, betekenisvol leven.

Nu, vier jaar later, schrijf ik bijna elke avond drie dankbare dingen op (spoiler alert: meestal is een daarvan lekker eten…). God knows dat ik me niet elke dag gelukkig voel. Dat hoeft ook niet. Er is wel altijd iets om dankbaar voor te zijn en misschien is dat gewoon genoeg.

Alleen zijn is niet eng – word je eigen beste gezelschap

Ik heb bijna drie weken alleen binnen gezeten. In die tijd is als alleen iemand van de GGD bij me in huis geweest omdat ze mij moest testen. Verder zijn er een paar vrienden langs de deur gekomen om boodschappen of een maaltijd te brengen. Ook belde ik af en toe met iemand wanneer ik behoefte had aan een praatje. De rest van de tijd was ik alleen.

Er is een tijd geweest dat ik bang was om alleen te zijn. In die tijd werkte ik fulltime. Na het werk kwam ik thuis, at met mijn toenmalige huisgenoten, keek TV en ging slapen. Dat was het plan tenminste, want wanneer ik eenmaal in bed lag, sloegen de piekergedachten toe en lag ik urenlang wakker. Ik raakte uitgeput, waardoor mijn gedachten nog somberder werden. Ik voelde me slecht.

Nu, vijf jaar later, moet ik mezelf er nog steeds regelmatig aan herinneren dat alleen zijn niet eng is. Dat ik er niet bang voor hoef te zijn. Ik dwing mezelf om overdag af en toe de stilte op te zoeken, zodat ik niet ’s avonds in bed nog alle gebeurtenissen van de dag moet verwerken. Toch is het nog steeds niet altijd leuk om alleen te zijn met mijn gedachten. Mijn hoofd vertelt me bijvoorbeeld vaak dat ik alleen waardevol ben wanneer ik nuttig ben. Best lastig wanneer je ziek bent en niks kan… Ik vertel mezelf nu dat ik waardevol ben om wie ik ben en niet om wat ik doe. Net zo vaak tot ik het weer ga geloven.

Ik leer er voor mezelf te zijn. In goede en slechte tijden.

Anselm Grün, die monnik is en dus wel enige ervaring heeft met alleen-zijn, zegt hierover: “Om de unieke persoon te worden die jij bent, is het noodzakelijk om je eigen eenzaamheid te aanvaarden. Die hoort bij jou. En alleen wanneer jij je daarmee verzoent, word je werkelijk volwassen: word je een persoon die een relatie heeft met zichzelf en tegelijkertijd openstaat voor andere personen.”

Tijd doorbrengen met jezelf dus. Eenzaamheid beschouwen als het moment om je eigen beste gezelschap te zijn, in plaats van als tijd die verdreven moet worden.

NB: Het citaat van Anselm Grün dat in deze blog is gebruikt, komt uit het boek De kunst van het alleen zijn (Uitgeverij Ten Have, 2014).

NB2: Word jij ook wel eens uit de slaap gehouden door piekeren? Op deze website vind je adviezen die mij erg goed geholpen hebben.

Selfcare voor coronapatiënten

Selfcare (“zelfzorg”) is de laatste jaren een modewoord geworden. Meestal heeft het iets te maken met tijd voor jezelf nemen, een moddermasker op je gezicht plamuren voor een nóg zachtere huid of jezelf toestaan om pizza te bestellen omdat je geen energie hebt om te koken. Commerciële bedrijven springen hier met hun reclames maar al te graag op in door producten aan te bieden die ons kunnen helpen bij selfcare. “Je hebt het verdiend!”

Momenteel doe ik letterlijk aan selfcare. Ik zit ziek thuis (corona) en mag dus voor mezelf zorgen door potten verse citroen-gemberthee te zetten en leeg te drinken, mezelf af en toe een wasbeurt te geven en mensen om me heen om hulp te vragen. Gelukkig ben ik hier nog net gezond genoeg voor en brengen lieve vrienden me boodschappen en versbereide maaltijden. Ook kan ik af en toe nog een uurtje m’n laptop op schoot nemen en eens wat lezen of schrijven. Dat ik nog net gezond genoeg ben om een beetje voor mezelf te zorgen, deed me wel nadenken over selfcare: ik zorg nu heel letterlijk voor mezelf. Ik ben blij dat ik dit nog kan en niet in het ziekenhuis lig, maar leuk is het niet.

Selfcare is ook niet alleen maar leuk. Corona bepaalt me erbij dat selfcare, jezelf liefhebben en daarom goed voor jezelf zorgen, soms betekent dat je iets moet doen waar je geen zin in hebt. Dat geldt ook voor het liefhebben van anderen, trouwens. Toen de verpleeghuizen op slot gingen, moesten mijn collega’s en ik dit aan de familieleden van onze bewoners uitleggen: jullie uiten de liefde voor je familielid nu het beste door niet op bezoek te komen. Liefde is afstand houden. Een pijnlijke boodschap, maar we moesten hem overbrengen om de gezondheid van onze ouderen te beschermen.

Hierbij dus een oproepje van mij, een coronapatiënt: zorg goed voor jezelf en voor anderen. Ook als dit betekent dat je dingen moet doen die niet leuk zijn. Nu, door afstand te houden van je geliefden en niet op een drukbezocht terras te gaan zitten. En straks, in het ‘normale’ leven, door je maandelijkse uitgaven bij te houden in Excel, te gaan sporten wanneer je geen zin hebt of eindelijk in therapie gaan om je slechte (denk)gewoontes te doorbreken.

-Voor deze blog werd ik geïnspireerd door dit briljante (Engelstalige) artikel over selfcare: https://thoughtcatalog.com/brianna-wiest/2017/11/this-is-what-self-care-really-means-because-its-not-all-salt-baths-and-chocolate-cake/

Zorgblog| Samen eenzaam

In het dagelijks leven werk ik parttime in de zorg. Ik breng tijd door met dementerende ouderen die met hun achten samenwonen, als een soort gezin. In dat gezin ben ik een ouder – ik haal bewoners uit bed; geef hen eten; luister naar hun beslommeringen, haal ze soms voorzichtig terug in de realiteit en laat hen op andere momenten leven in hun eigen realiteit. Op de Taalgeekblog deel ik mooie, grappige of inspirerende momenten met jullie.

Mary kwam bij ons wonen toen ze veertig kilo woog. Ze kwam net uit het ziekenhuis, had een heupoperatie gehad en kon niet meer alleen wonen. Niet alleen vanwege die heup, maar ook omdat ze niet meer wist wat ze deed.

We spoelen de film een paar maanden vooruit: Mary heeft dankzij mijn kundige collega’s een longontsteking overleefd en is nog een paar kilo lichter. Ik kan haar bijna in m´n eentje optillen. Desondanks is Mary niet levensmoe – ze kletst honderduit. Op de schaarse dagen dat ik om half acht begin, is zij vaak degene die al wakker is en “help, help me alsjeblieft” ligt te roepen tot er iemand komt. Vaak wordt ze weer stil nadat ik even goedemorgen ben komen zeggen en haar een ontbijtje heb aangeboden.

Op een ochtend in april 2020 is ze nog stil wanneer ik om half acht de woning oploop. Dat verbaast me, dus ik ga even kijken. Even checken of ze er nog is. Heel zachtjes doe ik Mary’s kamerdeur open, het licht uit de gang stroomt meter voor meter de ruimte binnen. In de donkere slaapkamer ligt een klein bolletje onder de dekens. Haar ogen zijn open. “Goedemorgen”, zeg ik. Mary begroet me hartelijk, ze lijkt blij me te zien, een bekend gezicht. “Hoe gaat het met je, meid?”. “Mm, gaat wel”, zeg ik. Mary is helder, helderder dan ik van haar gewend ben, en ze wil weten wat er is. Ik vertel haar dat mijn relatie kortgeleden uit is gegaan en dat het dus even niet zo fantastisch met me gaat. Ik vertel het met een beetje schroom, want ik vind dat ik daarmee eigenlijk een grens overschrijd. Het is goed om een beetje professionele afstand te bewaren van de mensen voor wie je zorgt. Tegelijkertijd zijn we allemaal mensen en maakt de verbondenheid die dat schept dit werk juist zo mooi.

Mary reageert geschrokken. Ze vertelt dat zij ook eens een verbroken relatie heeft meegemaakt. “Ik was in de dertig, en ik dacht dat het voor altijd was, dus ik was er helemaal kapot van”, zegt ze. We kletsen nog even verder en dan zeg ik: “Zal ik ontbijt voor je halen?”. “Nee meid, doe jij nou maar even rustig aan”, zegt Mary, “dit moet tijd hebben, het moet slijten.” Ik moet een beetje lachen en tegelijkertijd ontroert het me wat ze zegt. Ze draait de rollen om: normaal zorg ik voor haar, nu zorgt zij even voor mij.

“Jij kan nog wel weer verder zoeken, meisje,” zegt Mary, wanneer ik even later een glas appelsap en een boterham zonder korstjes voor haar neerzet. Het is niet wat ik wil horen, maar ze heeft gelijk en ik vind het zo intens lief hoe ze met me meeleeft. “Voor mij is die tijd geweest, maar ik kan nu goed leven met de eenzaamheid.” Geheel tegen haar karakter in lijkt ze rustig, een serene uitdrukking op haar gezicht. Ze raakt me, het kleine figuurtje in het grote bed, van wie ik niet alleen de ribben, maar ieder bot kan tellen. Zo klein en toch zo taai. Al bijna negentig en toch nog niet klaar met leven. “Dan zijn we samen eenzaam, Mary”, zeg ik, en ik doe m’n best om niet een paar tranen te laten. In stilte zitten we een moment bij elkaar, zij in bed, ik op de rollator ernaast.