De 5 meest gestelde vragen aan vegetariërs (+ antwoorden)

Morgen is het 4 oktober – dierendag. Een goed moment om het eens te hebben over dieren eten – of beter gezegd: over geen dieren eten. In deze blog geef ik antwoord op de vijf vragen die mij het vaakst zijn gesteld in veertien jaar vegetariër-zijn. Here we go!  

  1. Waarom ben je vegetariër?

Uit principe. Al begon het bij mij met een gevoelsmatige weerzin tegen vlees. Ik dacht: waarom slachten wij een levend wezen, braden we de stukken, eten we die op en vinden we dat normaal? Ik vond het raar. Als je dat geen argument vindt, omdat de mensheid al sinds the beginning of time dieren eet, blijven er echter nog genoeg redenen over om geen vlees te eten, want:  

  • vlees eten is vandaag de dag niet duurzaam en slecht voor de aarde;
  • bijna al het vlees is afkomstig van dieren die opgefokt en mishandeld zijn in de bio-industrie;
  • het is bewezen dat dieren pijn en stress voelen en het is dus ethisch en moreel op zijn minst twijfelachtig is om ze te fokken, slachten en opeten.

Wil je meer weten over redenen waarom mensen geen vlees eten, check dan eens dit goed uitgedachte stuk van Rutger Bregman.  (Als je weinig tijd hebt, lees dan het kopje ‘de redenering die alles veranderde’ of bekijk alleen even de foto’s bij het stuk.)

2. Mis je het nooit om vlees te eten?

Heel eerlijk: nee. Maar ik heb vlees nooit echt lekker gevonden. Er zijn zat mensen die wel hun biefstukje, spareribs of draadjesvlees zouden missen en daarom geen vegetariër worden. Tegen hen zou ik willen zeggen: beperk je vleesinname. Ga een keer in de week naar een slager waarvan je weet dat die duurzaam en met oog voor dierenwelzijn zijn vlees verkoopt en beschouw een avondje vlees eten als een zeldzame traktatie.

3. Krijg je wel genoeg eiwitten binnen?

Daar kan ik kort over zijn: ja. Vegetarisch eten is niet slecht voor je gezondheid. Wel is het slim om je eetgewoonten aan te passen wanneer je stopt met vlees eten, zodat je lichaam het eiwit dat ze eerder uit vlees opnam nu ergens anders uit kan halen. In vlees zit relatief veel eiwit ten opzichte van bonen, noten en groene groente (broccoli, boerenkool, spinazie). Die producten moeten dus een ruime plek krijgen in je dieet. Wil je meer weten over plantaardig eten, check dan de website van het Voedingscentrum eens, die geeft veel praktische tips.

4. Kun je dan nog wel lekker eten?

Jazeker! Zonder lekker eten zou mijn leven echt een STUK minder leuk zijn, dus daar zorg ik wel voor 😉 Ik vind bijvoorbeeld gele curry (van Fairtrade Original) met kokosmelk, bloemkool, aardappels en linzen erg lekker. Of volkoren wraps met broccoli, tomaat en gehakte noten. Of cous cous met aubergine, courgette, fetakaas en dadels. Er zijn ook steeds meer vegetarische en veganistische restaurants, die hartstikke lekker eten verkopen!

5. Vind je dat iedereen vegetariër zou moeten worden?

Ik vind dat iedereen in Nederland veel minder vlees zou moeten eten. De gewoonte om bij (bijna) elke maaltijd vlees te eten, houdt de bio-industrie in stand. De bio-industrie put de aarde uit en behandelt dieren alsof ze geen levende wezens zijn. Ik begrijp niet hoe je het kunt verantwoorden naar jezelf om dit in stand te houden door je eetpatroon. Na het lezen van het stuk van Rutger Bregman en de wijdverbreide conclusie in de wetenschappelijke wereld dat dieren een rijk gevoelsleven hebben, begrijp ik ook niet hoe je überhaupt nog vlees kan eten. Maar die keuze laat ik aan jullie over.

Hoogopgeleide vrouw, dit is waarom je je een bedrieger voelt

Als iemand die nogal perfectionistisch en bang om te falen is, was mijn eerste ‘serieuze’ baan geen pretje. Bij elke stap die ik zette, elke mail die ik stuurde, elke opmerking die ik maakte in een vergadering, vroeg ik me af of ik het wel goed deed. Of ik wel genoeg deed. Ik maakte mezelf zo onzeker dat ik binnen de kortste keren overspannen was. Lekker begin.

Ik was evenwel niet de enige. Bijna iedereen die ik sprak over hun eerste baan nadat ze afgestudeerd was, bleek knetteronzeker te zijn. Een vriendin die psychologie had gestudeerd en kinderen met autisme begeleidde, zei bijvoorbeeld eens: ‘Dan lopen die ouders mijn kamer binnen en komen voor me zitten alsof ik de oplossing heb. Terwijl zij al jarenlang vierentwintig-zeven voor hun kind zorgen. Wat kan ik dan nog doen?’ Ze had vier jaar gestudeerd, maar de praktijk bleek weerbarstig en ze had regelmatig het gevoel dat ze maar wat deed en geen idee had waar ze eigenlijk mee bezig was.  

Dat laatste, blijkt uit onderzoek, is iets waar veel mensen mee te maken hebben. Het heet impostor syndrome, ´oplichterssyndroom´ in het Nederlands. Volgens een theorie uit de jaren ´70, waarin het syndroom voor het eerst beschreven werd, hebben vooral vrouwen hier last van. Aan het syndroom ligt de gedachte “ik heb gewoon geluk gehad, mijn succes komt niet door mijn eigen talent, harde werk of kwalificaties” ten grondslag. Mannen hebben hier minder vaak last van en kennen hun succes vaak wel aan zichzelf toe.

Het is niet gek dat wij, hoogopgeleide vrouwen, last hebben van het gevoel dat we moeten ‘doen alsof’ en dat we niet echt zo intelligent of capabel zijn als het lijkt. Van oudsher wordt de vrouw gezien als meer verzorgend en horend bij ‘thuis’, in tegenstelling tot de man, die hoort bij ‘buiten’ en geacht wordt sterk en succesvol te zijn. Als ik, een vrouw, dus ineens sterk of succesvol ben, voldoe ik niet aan de standaard die de maatschappij mij oplegt, en dat is ongemakkelijk. Voor anderen en ook voor mezelf. In haar boek over vrouwen en succes op de werkvloer, beschrijft Sheryl Sandberg, COO bij Facebook, dat vrouwen die succesvol zijn vaak niet aardig gevonden worden. Een vrouw hoort niet succesvol en daadkrachtig te zijn, maar zacht en volgzaam. Als ze durft te leiden, wordt ze al gauw weggezet als bitch.  

De vraag is nu natuurlijk: wat kunnen we hieraan doen? Hoe kan ik ervoor zorgen dat ik mezelf comfortabel, zelfverzekerd en capabel voel op mijn werk?

In het originele artikel over het oplichterssyndroom beschrijven de onderzoekers verschillende therapieën. Elk van die therapieën is erop gericht om jezelf te leren: “Ik ben intelligent. Ik heb veel geleerd en bereikt. Het is goed dat ik geloof in mijn eigen intellectuele mogelijkheden en mijn eigen kracht” (vertaling GW). Plak het op je spiegel, zet het op het vergrendelingsscherm van je telefoon, zeg het hardop als je wakker wordt. “Ik ben genoeg”.

It is always best to be yourself and let the world catch up. – Glennon Doyle

Verder lezen? ⬇️

Hier vind je het originele artikel waarin het impostor syndrome voor het eerst beschreven werd. Aanrader!

Als je geen tijd of zin hebt om er diep in te duiken, is dit wat easier leesvoer, in het Nederlands of in het Engels.

Het boek van Sheryl Sandberg, de COO van Facebook, heet: Lean in: vrouwen, werk en de weg naar succes.

Racisme zit in ons allemaal. Anti-racist word je zo.

// Recensie van het boek Hallo witte mensen van Anousha Nzume //

In de weken na de dood van George Floyd, eind mei 2020, ontploften mijn sociale media van de berichten over racisme, discriminatie en black lives matter. Racisme is geen gezellig, luchtig onderwerp, dus na een paar dagen begon ik me te irriteren aan alle content over dit onderwerp. Ik zit op sociale media voor m’n ontspanning. Ik besloot dat het tijd was om me op een andere, meer structurele manier te verdiepen in het probleem met racisme dat Nederland vandaag de dag nog steeds heeft. Ik kocht het boek Hallo witte mensen van Anousha Nzume.

Ik was me voor ik dit boek ging lezen niet bewust van mijn huidskleur. Ik ben wit, so what, kleur doet er niet toe, toch? Iedereen is gelijk, toch? ‘Kleurenblindheid’ noemt Nzume dit. Helaas is dit niet iets positiefs volgens haar. Met die zogenaamde kleurenblindheid ontken je namelijk de realiteit: dat huidskleur wél uitmaakt. En zonder erkenning kan geen verandering plaatsvinden.  

Met de illustratie op de voorkant van het boek lijkt de schrijver haar lezers te beloven ze een spiegel voor te houden. Die belofte maakt ze waar. Nzume stelt vragen, geeft voorbeelden en trekt vergelijkingen om ons, witte mensen, bewust te maken van onze eigen huidskleur en de privileges die dit oplevert. En, I have to say, dat is pijnlijk.

Chanel Lodik, een ondernemer die op Instagram veel deelt over racisme in Nederland, heeft boven haar account staan ‘niet voor tere zieltjes’. Ik snap nu waarom, want het doet pijn om je te realiseren dat huidskleur uitmaakt. Ik vind het pijnlijk om me (nu pas) te realiseren wat een bevoorrechte positie ik heb. Daar kan ik niks aan doen, ik heb niet voor mijn witte huidskleur gekozen. Maar het is pijnlijk dat ik bepaalde dingen voor lief heb genomen, die anderen niet net zo gemakkelijk ten deel zijn gevallen. Alsof ik altijd een opstapje had, waardoor ik de bal gemakkelijker in het basket kreeg.

Nu even over de toon van het boek. Die vond ik bij vlagen strontirritant. Nzume komt in sommige zinnen belerend, bijna een beetje denigrerend, over. Alsof wij, witte mensen dom zijn. In de loop van het boek realiseerde ik me echter dat ‘zeuren over de toon waarop een gesprek gevoerd wordt’ (mijn woorden) een manier kan zijn om het gesprek af te leiden van het onderwerp waar het om draait: racisme en discriminatie. Misschien dat het pijnlijke besef dat ik onwetend en stelselmatig bevoordeeld (privileged) ben er wel voor gezorgd heeft dat ik me ging richten op de toon van het boek. Zodat ik niet meer hoefde te luisteren naar de pijnlijke inhoud.

Waarom vond ik dit boek, ondanks de toon, toch zo goed? Begin juni las ik een tweet van Ijeoma Oluo: “the beauty of anti-racism is that you don’t have to be free of racism to be an anti-racist. Anti-racism is the commitment to fight racism wherever you find it, including in yourself”. Dit boek heeft mij geholpen om kleur te zien, mijn eigen kleur te bekennen en onbewust racisme in mezelf te bestrijden. En dat is precies wat ik wilde.