De 5 meest gestelde vragen aan vegetariërs (+ antwoorden)

Morgen is het 4 oktober – dierendag. Een goed moment om het eens te hebben over dieren eten – of beter gezegd: over geen dieren eten. In deze blog geef ik antwoord op de vijf vragen die mij het vaakst zijn gesteld in veertien jaar vegetariër-zijn. Here we go!  

  1. Waarom ben je vegetariër?

Uit principe. Al begon het bij mij met een gevoelsmatige weerzin tegen vlees. Ik dacht: waarom slachten wij een levend wezen, braden we de stukken, eten we die op en vinden we dat normaal? Ik vond het raar. Als je dat geen argument vindt, omdat de mensheid al sinds the beginning of time dieren eet, blijven er echter nog genoeg redenen over om geen vlees te eten, want:  

  • vlees eten is vandaag de dag niet duurzaam en slecht voor de aarde;
  • bijna al het vlees is afkomstig van dieren die opgefokt en mishandeld zijn in de bio-industrie;
  • het is bewezen dat dieren pijn en stress voelen en het is dus ethisch en moreel op zijn minst twijfelachtig is om ze te fokken, slachten en opeten.

Wil je meer weten over redenen waarom mensen geen vlees eten, check dan eens dit goed uitgedachte stuk van Rutger Bregman.  (Als je weinig tijd hebt, lees dan het kopje ‘de redenering die alles veranderde’ of bekijk alleen even de foto’s bij het stuk.)

2. Mis je het nooit om vlees te eten?

Heel eerlijk: nee. Maar ik heb vlees nooit echt lekker gevonden. Er zijn zat mensen die wel hun biefstukje, spareribs of draadjesvlees zouden missen en daarom geen vegetariër worden. Tegen hen zou ik willen zeggen: beperk je vleesinname. Ga een keer in de week naar een slager waarvan je weet dat die duurzaam en met oog voor dierenwelzijn zijn vlees verkoopt en beschouw een avondje vlees eten als een zeldzame traktatie.

3. Krijg je wel genoeg eiwitten binnen?

Daar kan ik kort over zijn: ja. Vegetarisch eten is niet slecht voor je gezondheid. Wel is het slim om je eetgewoonten aan te passen wanneer je stopt met vlees eten, zodat je lichaam het eiwit dat ze eerder uit vlees opnam nu ergens anders uit kan halen. In vlees zit relatief veel eiwit ten opzichte van bonen, noten en groene groente (broccoli, boerenkool, spinazie). Die producten moeten dus een ruime plek krijgen in je dieet. Wil je meer weten over plantaardig eten, check dan de website van het Voedingscentrum eens, die geeft veel praktische tips.

4. Kun je dan nog wel lekker eten?

Jazeker! Zonder lekker eten zou mijn leven echt een STUK minder leuk zijn, dus daar zorg ik wel voor 😉 Ik vind bijvoorbeeld gele curry (van Fairtrade Original) met kokosmelk, bloemkool, aardappels en linzen erg lekker. Of volkoren wraps met broccoli, tomaat en gehakte noten. Of cous cous met aubergine, courgette, fetakaas en dadels. Er zijn ook steeds meer vegetarische en veganistische restaurants, die hartstikke lekker eten verkopen!

5. Vind je dat iedereen vegetariër zou moeten worden?

Ik vind dat iedereen in Nederland veel minder vlees zou moeten eten. De gewoonte om bij (bijna) elke maaltijd vlees te eten, houdt de bio-industrie in stand. De bio-industrie put de aarde uit en behandelt dieren alsof ze geen levende wezens zijn. Ik begrijp niet hoe je het kunt verantwoorden naar jezelf om dit in stand te houden door je eetpatroon. Na het lezen van het stuk van Rutger Bregman en de wijdverbreide conclusie in de wetenschappelijke wereld dat dieren een rijk gevoelsleven hebben, begrijp ik ook niet hoe je überhaupt nog vlees kan eten. Maar die keuze laat ik aan jullie over.

Zorgblog| Als je lijf het niet meer doet

In het dagelijks leven werk ik parttime in de zorg. Ik breng tijd door met dementerende ouderen die met hun achten samenwonen, als een soort gezin. In dat gezin ben ik een ouder – ik haal bewoners uit bed; geef ze eten; luister naar hun beslommeringen, haal ze soms voorzichtig terug in de realiteit en laat hen op andere momenten leven in hun eigen realiteit. Op de Taalgeek-blog deel ik mooie, grappige of inspirerende momenten met jullie.

“Ik ben net een peuter”. Elisa moet het twee keer herhalen voordat ik versta wat ze zegt.  

Een collega heeft de oude dame vanmorgen uit bed gehaald: gewassen, aangekleed en in de rolstoel aan de keukentafel gezet. Aan mij vroeg ze om een ontbijtje voor haar klaar te maken. Met een schaar heb ik de korstjes van het brood geknipt, er boter en abrikozenjam opgesmeerd. Daarna gaf ik de vork in Elisa’s hand.

Dat ging niet. Ze krijgt haar rechterhand niet boven de tafel uit, laat staan dat ze haar bord kan bereiken om een stukje brood aan haar vork te prikken en naar haar mond te brengen. Daarom voer ik haar nu. Dat mag ik niet zeggen, in de zorg ‘geven we mensen eten’, want voeren doe je met dieren, en dragen ouderen ‘inco’s’ (incontinentiemateriaal), geen luiers. Maar in feite voeren we mensen en dragen ze luiers. Dementie, lichamelijke aftakeling en de ontmenselijking die daarmee gepaard gaat, kun je niet verbloemen met taal. Dit is hoe het is. Het is lelijk. Het is pijnlijk.

En als je, zoals Elisa, de pech hebt dat je nog beseft wat er gebeurt wanneer het gebeurt, dan levert dat schrijnende situaties op. Zoals nu. “Ik ben net een peuter?”, herhaal ik. Ze knikt. “U bedoelt: omdat ik u eten moet geven?”. Weer het hoofd op en neer. “Tja,” zeg ik, “ik doe het met liefde, maar ik kan me voorstellen dat het heel vervelend is om niet meer voor jezelf te kunnen zorgen. Ik was een paar maanden geleden ook goed ziek en kon bijna niet meer voor mezelf zorgen en dat vond ik heel frustrerend. Al was dat natuurlijk wel een andere situatie.” Ik leg haar uit dat ze sinds een paar dagen ineens heel veel dingen niet meer kan en dat we niet weten hoe het komt. Of zij een idee heeft. “Weinig”, zegt ze.

Zo kan het gaan. Misschien heeft Elisa ongemerkt een soort herseninfarct gehad en kunnen haar hersenen nu haar bewegingen niet goed meer sturen. Als ik haar de vork in haar niet-dominante linkerhand geef, kan ze die wel naar haar mond brengen. Maar echt zelfstandig eten lukt niet meer. Mijn collega vertelde dat ze Elisa ook niet meer op de wc durfde te zetten vanmorgen, want wanneer ze zit, zakt ze helemaal scheef. Elisa moet dus ook aan de luiers.

Na de afgelopen maanden zelf de frustratie te hebben gekend van een lichaam dat niet doet wat je hoofd wel wil, kan ik me nog beter voorstellen hoe dit moet zijn als je oud wordt. Hoe frustrerend, hoe deprimerend. Des temeer reden om nu te genieten: van wandelen, van eten, van gewoon zelf naar de wc kunnen gaan. Want je weet nooit wanneer het ophoudt.

Hoogopgeleide vrouw, dit is waarom je je een bedrieger voelt

Als iemand die nogal perfectionistisch en bang om te falen is, was mijn eerste ‘serieuze’ baan geen pretje. Bij elke stap die ik zette, elke mail die ik stuurde, elke opmerking die ik maakte in een vergadering, vroeg ik me af of ik het wel goed deed. Of ik wel genoeg deed. Ik maakte mezelf zo onzeker dat ik binnen de kortste keren overspannen was. Lekker begin.

Ik was evenwel niet de enige. Bijna iedereen die ik sprak over hun eerste baan nadat ze afgestudeerd was, bleek knetteronzeker te zijn. Een vriendin die psychologie had gestudeerd en kinderen met autisme begeleidde, zei bijvoorbeeld eens: ‘Dan lopen die ouders mijn kamer binnen en komen voor me zitten alsof ik de oplossing heb. Terwijl zij al jarenlang vierentwintig-zeven voor hun kind zorgen. Wat kan ik dan nog doen?’ Ze had vier jaar gestudeerd, maar de praktijk bleek weerbarstig en ze had regelmatig het gevoel dat ze maar wat deed en geen idee had waar ze eigenlijk mee bezig was.  

Dat laatste, blijkt uit onderzoek, is iets waar veel mensen mee te maken hebben. Het heet impostor syndrome, ´oplichterssyndroom´ in het Nederlands. Volgens een theorie uit de jaren ´70, waarin het syndroom voor het eerst beschreven werd, hebben vooral vrouwen hier last van. Aan het syndroom ligt de gedachte “ik heb gewoon geluk gehad, mijn succes komt niet door mijn eigen talent, harde werk of kwalificaties” ten grondslag. Mannen hebben hier minder vaak last van en kennen hun succes vaak wel aan zichzelf toe.

Het is niet gek dat wij, hoogopgeleide vrouwen, last hebben van het gevoel dat we moeten ‘doen alsof’ en dat we niet echt zo intelligent of capabel zijn als het lijkt. Van oudsher wordt de vrouw gezien als meer verzorgend en horend bij ‘thuis’, in tegenstelling tot de man, die hoort bij ‘buiten’ en geacht wordt sterk en succesvol te zijn. Als ik, een vrouw, dus ineens sterk of succesvol ben, voldoe ik niet aan de standaard die de maatschappij mij oplegt, en dat is ongemakkelijk. Voor anderen en ook voor mezelf. In haar boek over vrouwen en succes op de werkvloer, beschrijft Sheryl Sandberg, COO bij Facebook, dat vrouwen die succesvol zijn vaak niet aardig gevonden worden. Een vrouw hoort niet succesvol en daadkrachtig te zijn, maar zacht en volgzaam. Als ze durft te leiden, wordt ze al gauw weggezet als bitch.  

De vraag is nu natuurlijk: wat kunnen we hieraan doen? Hoe kan ik ervoor zorgen dat ik mezelf comfortabel, zelfverzekerd en capabel voel op mijn werk?

In het originele artikel over het oplichterssyndroom beschrijven de onderzoekers verschillende therapieën. Elk van die therapieën is erop gericht om jezelf te leren: “Ik ben intelligent. Ik heb veel geleerd en bereikt. Het is goed dat ik geloof in mijn eigen intellectuele mogelijkheden en mijn eigen kracht” (vertaling GW). Plak het op je spiegel, zet het op het vergrendelingsscherm van je telefoon, zeg het hardop als je wakker wordt. “Ik ben genoeg”.

It is always best to be yourself and let the world catch up. – Glennon Doyle

Verder lezen? ⬇️

Hier vind je het originele artikel waarin het impostor syndrome voor het eerst beschreven werd. Aanrader!

Als je geen tijd of zin hebt om er diep in te duiken, is dit wat easier leesvoer, in het Nederlands of in het Engels.

Het boek van Sheryl Sandberg, de COO van Facebook, heet: Lean in: vrouwen, werk en de weg naar succes.

Racisme zit in ons allemaal. Anti-racist word je zo.

// Recensie van het boek Hallo witte mensen van Anousha Nzume //

In de weken na de dood van George Floyd, eind mei 2020, ontploften mijn sociale media van de berichten over racisme, discriminatie en black lives matter. Racisme is geen gezellig, luchtig onderwerp, dus na een paar dagen begon ik me te irriteren aan alle content over dit onderwerp. Ik zit op sociale media voor m’n ontspanning. Ik besloot dat het tijd was om me op een andere, meer structurele manier te verdiepen in het probleem met racisme dat Nederland vandaag de dag nog steeds heeft. Ik kocht het boek Hallo witte mensen van Anousha Nzume.

Ik was me voor ik dit boek ging lezen niet bewust van mijn huidskleur. Ik ben wit, so what, kleur doet er niet toe, toch? Iedereen is gelijk, toch? ‘Kleurenblindheid’ noemt Nzume dit. Helaas is dit niet iets positiefs volgens haar. Met die zogenaamde kleurenblindheid ontken je namelijk de realiteit: dat huidskleur wél uitmaakt. En zonder erkenning kan geen verandering plaatsvinden.  

Met de illustratie op de voorkant van het boek lijkt de schrijver haar lezers te beloven ze een spiegel voor te houden. Die belofte maakt ze waar. Nzume stelt vragen, geeft voorbeelden en trekt vergelijkingen om ons, witte mensen, bewust te maken van onze eigen huidskleur en de privileges die dit oplevert. En, I have to say, dat is pijnlijk.

Chanel Lodik, een ondernemer die op Instagram veel deelt over racisme in Nederland, heeft boven haar account staan ‘niet voor tere zieltjes’. Ik snap nu waarom, want het doet pijn om je te realiseren dat huidskleur uitmaakt. Ik vind het pijnlijk om me (nu pas) te realiseren wat een bevoorrechte positie ik heb. Daar kan ik niks aan doen, ik heb niet voor mijn witte huidskleur gekozen. Maar het is pijnlijk dat ik bepaalde dingen voor lief heb genomen, die anderen niet net zo gemakkelijk ten deel zijn gevallen. Alsof ik altijd een opstapje had, waardoor ik de bal gemakkelijker in het basket kreeg.

Nu even over de toon van het boek. Die vond ik bij vlagen strontirritant. Nzume komt in sommige zinnen belerend, bijna een beetje denigrerend, over. Alsof wij, witte mensen dom zijn. In de loop van het boek realiseerde ik me echter dat ‘zeuren over de toon waarop een gesprek gevoerd wordt’ (mijn woorden) een manier kan zijn om het gesprek af te leiden van het onderwerp waar het om draait: racisme en discriminatie. Misschien dat het pijnlijke besef dat ik onwetend en stelselmatig bevoordeeld (privileged) ben er wel voor gezorgd heeft dat ik me ging richten op de toon van het boek. Zodat ik niet meer hoefde te luisteren naar de pijnlijke inhoud.

Waarom vond ik dit boek, ondanks de toon, toch zo goed? Begin juni las ik een tweet van Ijeoma Oluo: “the beauty of anti-racism is that you don’t have to be free of racism to be an anti-racist. Anti-racism is the commitment to fight racism wherever you find it, including in yourself”. Dit boek heeft mij geholpen om kleur te zien, mijn eigen kleur te bekennen en onbewust racisme in mezelf te bestrijden. En dat is precies wat ik wilde.

Gelukkig zijn hoeft niet altijd

In 2016 zat ik met een studiegenoot op een stoeprand voor het universiteitsgebouw een paar zonnestralen op te vangen voor we weer naar binnen moesten. We zaten allebei in een moeilijke tijd. Zij rouwde om het verlies van haar vader, ik was vaak somber of angstig en wist niet waarom. We hadden het over quarter life crises en de druk die onze generatie voelt om alles uit het leven te halen. Wat ik het meest heb onthouden van ons gesprek is dat zij zei: “Geke, ik geloof dat ik niet meer ga streven naar geluk. Ik wil tevreden zijn. Dat is genoeg.”

Dit klinkt deprimerend misschien. Alsof je genoegen neemt met een middelmatig leventje. De vraag is alleen: is “genoegen nemen” iets negatiefs?

Is genoegen nemen met wat je hebt minder waard dan streven naar geluk?

Onze maatschappij barst uit z’n voegen van zinspreuken als “leef alsof het je laatste dag is” en “haal alles uit het leven”. Zo’n levenswijze kan een enorme druk met zich meebrengen. Alsof je nooit genoeg gedaan hebt. Jezelf doelen stellen en daarnaar streven kan voldoening geven en in die zin voor een gelukkiger leven zorgen, ja. Maar wanneer het bereiken van je doelen een voorwaarde wordt voor je gevoel van geluk, zal dit een tegenovergesteld effect hebben.

Dan komt een geluk altijd nét buiten je bereik te liggen.

Wanneer je weigert te accepteren dat sommige onderdelen van je leven niet ‘gelukt’ zijn, leidt dat vaak tot somberheid en een gevoel van ongeluk. Dirk de Wachter, een Belgische psychiater, zegt daarom al jaren: wij westerlingen moeten eens wat beter worden in ongelukkig zijn. Hij zegt: maak van “gelukkig zijn” niet je levensdoel. Dat is vermoeiend en heeft geen zin. Lijden hoort bij het leven.

Als je kunt accepteren dat je je niet honderd procent van de tijd gelukkig voelt, kun je de kleine genoegens van het leven meer gaan waarderen (#itsthesmallthings). Hier ligt de sleutel naar een zinvol, betekenisvol leven.

Nu, vier jaar later, schrijf ik bijna elke avond drie dankbare dingen op (spoiler alert: meestal is een daarvan lekker eten…). God knows dat ik me niet elke dag gelukkig voel. Dat hoeft ook niet. Er is wel altijd iets om dankbaar voor te zijn en misschien is dat gewoon genoeg.

Alleen zijn is niet eng – word je eigen beste gezelschap

Ik heb bijna drie weken alleen binnen gezeten. In die tijd is als alleen iemand van de GGD bij me in huis geweest omdat ze mij moest testen. Verder zijn er een paar vrienden langs de deur gekomen om boodschappen of een maaltijd te brengen. Ook belde ik af en toe met iemand wanneer ik behoefte had aan een praatje. De rest van de tijd was ik alleen.

Er is een tijd geweest dat ik bang was om alleen te zijn. In die tijd werkte ik fulltime. Na het werk kwam ik thuis, at met mijn toenmalige huisgenoten, keek TV en ging slapen. Dat was het plan tenminste, want wanneer ik eenmaal in bed lag, sloegen de piekergedachten toe en lag ik urenlang wakker. Ik raakte uitgeput, waardoor mijn gedachten nog somberder werden. Ik voelde me slecht.

Nu, vijf jaar later, moet ik mezelf er nog steeds regelmatig aan herinneren dat alleen zijn niet eng is. Dat ik er niet bang voor hoef te zijn. Ik dwing mezelf om overdag af en toe de stilte op te zoeken, zodat ik niet ’s avonds in bed nog alle gebeurtenissen van de dag moet verwerken. Toch is het nog steeds niet altijd leuk om alleen te zijn met mijn gedachten. Mijn hoofd vertelt me bijvoorbeeld vaak dat ik alleen waardevol ben wanneer ik nuttig ben. Best lastig wanneer je ziek bent en niks kan… Ik vertel mezelf nu dat ik waardevol ben om wie ik ben en niet om wat ik doe. Net zo vaak tot ik het weer ga geloven.

Ik leer er voor mezelf te zijn. In goede en slechte tijden.

Anselm Grün, die monnik is en dus wel enige ervaring heeft met alleen-zijn, zegt hierover: “Om de unieke persoon te worden die jij bent, is het noodzakelijk om je eigen eenzaamheid te aanvaarden. Die hoort bij jou. En alleen wanneer jij je daarmee verzoent, word je werkelijk volwassen: word je een persoon die een relatie heeft met zichzelf en tegelijkertijd openstaat voor andere personen.”

Tijd doorbrengen met jezelf dus. Eenzaamheid beschouwen als het moment om je eigen beste gezelschap te zijn, in plaats van als tijd die verdreven moet worden.

NB: Het citaat van Anselm Grün dat in deze blog is gebruikt, komt uit het boek De kunst van het alleen zijn (Uitgeverij Ten Have, 2014).

NB2: Word jij ook wel eens uit de slaap gehouden door piekeren? Op deze website vind je adviezen die mij erg goed geholpen hebben.

Selfcare voor coronapatiënten

Selfcare (“zelfzorg”) is de laatste jaren een modewoord geworden. Meestal heeft het iets te maken met tijd voor jezelf nemen, een moddermasker op je gezicht plamuren voor een nóg zachtere huid of jezelf toestaan om pizza te bestellen omdat je geen energie hebt om te koken. Commerciële bedrijven springen hier met hun reclames maar al te graag op in door producten aan te bieden die ons kunnen helpen bij selfcare. “Je hebt het verdiend!”

Momenteel doe ik letterlijk aan selfcare. Ik zit ziek thuis (corona) en mag dus voor mezelf zorgen door potten verse citroen-gemberthee te zetten en leeg te drinken, mezelf af en toe een wasbeurt te geven en mensen om me heen om hulp te vragen. Gelukkig ben ik hier nog net gezond genoeg voor en brengen lieve vrienden me boodschappen en versbereide maaltijden. Ook kan ik af en toe nog een uurtje m’n laptop op schoot nemen en eens wat lezen of schrijven. Dat ik nog net gezond genoeg ben om een beetje voor mezelf te zorgen, deed me wel nadenken over selfcare: ik zorg nu heel letterlijk voor mezelf. Ik ben blij dat ik dit nog kan en niet in het ziekenhuis lig, maar leuk is het niet.

Selfcare is ook niet alleen maar leuk. Corona bepaalt me erbij dat selfcare, jezelf liefhebben en daarom goed voor jezelf zorgen, soms betekent dat je iets moet doen waar je geen zin in hebt. Dat geldt ook voor het liefhebben van anderen, trouwens. Toen de verpleeghuizen op slot gingen, moesten mijn collega’s en ik dit aan de familieleden van onze bewoners uitleggen: jullie uiten de liefde voor je familielid nu het beste door niet op bezoek te komen. Liefde is afstand houden. Een pijnlijke boodschap, maar we moesten hem overbrengen om de gezondheid van onze ouderen te beschermen.

Hierbij dus een oproepje van mij, een coronapatiënt: zorg goed voor jezelf en voor anderen. Ook als dit betekent dat je dingen moet doen die niet leuk zijn. Nu, door afstand te houden van je geliefden en niet op een drukbezocht terras te gaan zitten. En straks, in het ‘normale’ leven, door je maandelijkse uitgaven bij te houden in Excel, te gaan sporten wanneer je geen zin hebt of eindelijk in therapie gaan om je slechte (denk)gewoontes te doorbreken.

-Voor deze blog werd ik geïnspireerd door dit briljante (Engelstalige) artikel over selfcare: https://thoughtcatalog.com/brianna-wiest/2017/11/this-is-what-self-care-really-means-because-its-not-all-salt-baths-and-chocolate-cake/

Zorgblog| Samen eenzaam

In het dagelijks leven werk ik parttime in de zorg. Ik breng tijd door met dementerende ouderen die met hun achten samenwonen, als een soort gezin. In dat gezin ben ik een ouder – ik haal bewoners uit bed; geef hen eten; luister naar hun beslommeringen, haal ze soms voorzichtig terug in de realiteit en laat hen op andere momenten leven in hun eigen realiteit. Op de Taalgeek-blog deel ik mooie, grappige of inspirerende momenten met jullie.

Mary kwam bij ons wonen toen ze veertig kilo woog. Ze kwam net uit het ziekenhuis, had een heupoperatie gehad en kon niet meer alleen wonen. Niet alleen vanwege die heup, maar ook omdat ze niet meer wist wat ze deed.

We spoelen de film een paar maanden vooruit: Mary heeft dankzij mijn kundige collega’s een longontsteking overleefd en is nog een paar kilo lichter. Ik kan haar bijna in m´n eentje optillen. Desondanks is Mary niet levensmoe – ze kletst honderduit. Op de schaarse dagen dat ik om half acht begin, is zij vaak degene die al wakker is en “help, help me alsjeblieft” ligt te roepen tot er iemand komt. Vaak wordt ze weer stil nadat ik even goedemorgen ben komen zeggen en haar een ontbijtje heb aangeboden.

Op een ochtend in april 2020 is ze nog stil wanneer ik om half acht de woning oploop. Dat verbaast me, dus ik ga even kijken. Even checken of ze er nog is. Heel zachtjes doe ik Mary’s kamerdeur open, het licht uit de gang stroomt meter voor meter de ruimte binnen. In de donkere slaapkamer ligt een klein bolletje onder de dekens. Haar ogen zijn open. “Goedemorgen”, zeg ik. Mary begroet me hartelijk, ze lijkt blij me te zien, een bekend gezicht. “Hoe gaat het met je, meid?”. “Mm, gaat wel”, zeg ik. Mary is helder, helderder dan ik van haar gewend ben, en ze wil weten wat er is. Ik vertel haar dat mijn relatie kortgeleden uit is gegaan en dat het dus even niet zo fantastisch met me gaat. Ik vertel het met een beetje schroom, want ik vind dat ik daarmee eigenlijk een grens overschrijd. Het is goed om een beetje professionele afstand te bewaren van de mensen voor wie je zorgt. Tegelijkertijd zijn we allemaal mensen en maakt de verbondenheid die dat schept dit werk juist zo mooi.

Mary reageert geschrokken. Ze vertelt dat zij ook eens een verbroken relatie heeft meegemaakt. “Ik was in de dertig, en ik dacht dat het voor altijd was, dus ik was er helemaal kapot van”, zegt ze. We kletsen nog even verder en dan zeg ik: “Zal ik ontbijt voor je halen?”. “Nee meid, doe jij nou maar even rustig aan”, zegt Mary, “dit moet tijd hebben, het moet slijten.” Ik moet een beetje lachen en tegelijkertijd ontroert het me wat ze zegt. Ze draait de rollen om: normaal zorg ik voor haar, nu zorgt zij even voor mij.

“Jij kan nog wel weer verder zoeken, meisje,” zegt Mary, wanneer ik even later een glas appelsap en een boterham zonder korstjes voor haar neerzet. Het is niet wat ik wil horen, maar ze heeft gelijk en ik vind het zo intens lief hoe ze met me meeleeft. “Voor mij is die tijd geweest, maar ik kan nu goed leven met de eenzaamheid.” Geheel tegen haar karakter in lijkt ze rustig, een serene uitdrukking op haar gezicht. Ze raakt me, het kleine figuurtje in het grote bed, van wie ik niet alleen de ribben, maar ieder bot kan tellen. Zo klein en toch zo taai. Al bijna negentig en toch nog niet klaar met leven. “Dan zijn we samen eenzaam, Mary”, zeg ik, en ik doe m’n best om niet een paar tranen te laten. In stilte zitten we een moment bij elkaar, zij in bed, ik op de rollator ernaast.